Volgend artikel
Aedes-Magazine editie 3-2018

Interview

‘VERTROUWEN IN PLAATS VAN WANTROUWEN’

Kees van Nieuwamerongen en Marnix Norder

8 minuten leestijd

Het kostte de nodige moeite, maar uiteindelijk zijn alle corporaties er eind vorig jaar in geslaagd hun commerciële activiteiten op tijd af te splitsen van de niet-commerciële. Wat leverde het op? En vooral: hoe nu verder? Kees van Nieuwamerongen, directeur van de Autoriteit woningcorporaties in gesprek met Aedes-voorzitter Marnix Norder.

De Woningwet uit 2015 verplicht woningcorporaties de verhuur van sociale woningen, de zogeheten diensten van algemeen economisch belang (DAEB), te scheiden van hun commerciële activiteiten (niet-DAEB). Deze operatie, die voor 1 januari 2018 moest zijn voltooid, werd ingegeven door regels vanuit Brussel en een aantal incidenten. Dat leidde ertoe dat de politiek wilde dat corporaties zich weer zouden richten op hun kerntaak: het verhuren van woningen aan de minst koopkrachtige Nederlanders. Investeringen in niet-DAEB-activiteiten moeten tot een minimum worden beperkt.

Hoe kijken Aedes en de Autoriteit woningcorporaties terug op de scheiding van DAEB en niet-DAEB? Was dit het allemaal waard? En, hoe moet het nu verder? Kees van Nieuwamerongen, directeur van de Aw, in gesprek met Aedes-voorzitter Marnix Norder.

Wat is de belangrijkste winst?

Norder: ‘Het was niet altijd duidelijk wat nu vanuit waar gefinancierd en georganiseerd werd. De splitsing legt dit beter bloot. Positief vind ik ook het Robin Hood-effect. Het is helder geworden dat de commerciële activiteiten een positieve kasstroom hadden richting de sociale huisvesting. Terwijl men dacht dat dit andersom was.’

Foto: Phil Nijhuis

Kees van Nieuwamerongen (links), Marnix Norder (rechts)

Kees van Nieuwamerongen

is sinds november 2015 directeur van de Autoriteit woningcorporaties bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Daarvoor was hij ruim vier jaar secretaris en directeur van het College financieel toezicht van de landen Curaçao en Sint Maarten en de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Daarvoor werkte hij in verschillende management-functies bij de rijksoverheid.

Marnix Norder

is sinds januari 2017 voorzitter van Aedes. Norder was van 1996 tot 2014 actief in de politiek. Eerst als Statenlid en gedeputeerde in de provincie Zuid-Holland en vanaf 2004 als wethouder Stads-ontwikkeling, Volkshuis-vesting en Integratie van de gemeente Den Haag. Tot het voorjaar van 2016 was hij in opdracht van het ministerie van VWS en de VNG voorzitter van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen.

En wat betreft de transparantie richting andere betrokken partijen?

Norder: ‘Ik weet echt niet of het de stakeholders nu allemaal zoveel uitmaakt. Behalve misschien de politici in de Tweede Kamer. Voor een gemeente of een huurder is het belangrijk wat er gerealiseerd wordt of wat voor gebouw hij krijgt. Maar ik geloof niet dat ik op een privéfeestje ooit een gesprek heb gehad over de vraag of iets DAEB of niet-DAEB was. In dat opzicht kun je je afvragen of het sop de kool waard was.’

Van Nieuwamerongen: ‘Ook bij mij werd op feestjes nooit gesproken over DAEB of niet-DAEB, maar wel over dure boten en zorgcentra. De beeldvorming was dat woningcorporaties vanuit de sociale woningbouw een heleboel avonturen aan het financieren waren waardoor die sociale activiteiten in gevaar zouden komen. Dat is absoluut niet terecht, maar het is wel essentieel dat je die beeldvorming de wereld uit helpt.’

Hoe is het scheidingsproces verlopen?

Norder: ‘Het moest allemaal met stoom en kokend water. Die druk heeft het proces zeer arbeidsintensief gemaakt. Er is de afgelopen jaren sowieso veel nadruk geweest op alles wat te maken heeft met de uitvoering van nieuwe wetgeving. Daardoor is er te weinig tijd geweest voor bijvoorbeeld nieuwbouw- en renovatieplannen.’ 

En als je kijkt naar de kosten?

Norder: ‘Ik vind het lastig om daar iets over te zeggen, omdat het gelijk opliep met allerlei andere administratieve dingen die we met het oog op de nieuwe Woningwet hebben gedaan. Dat totaal heeft excessieve vormen aangenomen.’

Van Nieuwamerongen knikt: ‘Het is een valse start geweest, maar ik denk dat we dat samen heel goed hebben aangepakt en dat er mogelijkheden liggen om de lasten voor de corporaties enorm te verlichten. Ik vind het logisch dat er met al die veranderingen meer verantwoordingslasten zijn. Alleen je moet er wel verstandig mee omgaan. Ik denk dat in dit verband zowel bij ons als bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw – en ik verdenk ook het ministerie en de politiek ervan – de honger naar informatie en data de overhand heeft gekregen. Dat moet echt stoppen. Je moet vertrouwen kunnen hebben in een corporatie.’

Norder: ‘Daar ben ik het mee eens. Bij voetbal is het ook niet zo dat als de voorzitter of de eigenaar zich met de opstelling bemoeit, het team beter gaat voetballen. Je moet ervoor zorgen dat de mensen die het werk doen, daarvoor ook de ruimte krijgen.’

Is het alle tijd, energie en geld waard geweest?

Norder: ‘Het was wel een beetje met een kanon op een mug schieten. Ik weet ook niet of het helemaal waard is geweest. Uiteindelijk vraagt een gemeente je op een bepaalde plek een interventie te doen in een bestaande situatie of iets nieuws te realiseren. Bijvoorbeeld een complex met 40 woningen, grotendeels beneden de liberaliseringsgrens, een paar daarboven en op de begane grond de mogelijkheid van een Huisartsen Onder Een Dak of een buurthuis. Dan heb je een deel DAEB en een deel niet-DAEB in hetzelfde project. Ga je dit realiseren of renoveren, dan moet je die kosten splitsen, maar uiteindelijk komt het weer bij elkaar in een vereniging van eigenaren. Wie zit daar in: de corporatie! Wat is dan het verschil met de situatie van voor de splitsing? Het is heel goed dat je kunt verantwoorden waar je mee bezig bent. Maar de praktijk is weerbarstig.’

Hoe kijkt de Autoriteit daartegenaan?

Van Nieuwamerongen: ‘Wat ik goed vind van de scheiding is dat duidelijk is wat nu de kerntaken zijn. Het is een waanzinnig mooie taak die je uit moet voeren, beperk je daar dan ook toe. Maar de inkt is nog niet droog of alle wensen en eisen vanuit de politiek en corporaties komen alweer los. Daar wil ik echt voor waarschuwen: wéés daar nou voorzichtig mee!’

Foto: Phil Nijhuis

Hoeveel ruimte hebben corporaties nog na deze exercitie?

Van Nieuwamerongen: ‘Corporaties zien de leefbaarheid en de veiligheid in de wijken verminderen. Dan begrijp ik heel goed dat je handen jeuken. De Woningwet biedt daarvoor nog steeds mogelijkheden. Maar juist vanuit die ambitie ben ik bang dat er te grote risico’s worden genomen. Corporaties moeten weerbaar zijn tegen de politiek en ook tegen zichzelf zeggen: jongens, hier zijn we niet voor.’

Moeten corporaties ruimte krijgen om te investeren in het 

middenhuursegment?

Norder: ‘Marktpartijen hebben de ruimte en pakken hem niet altijd. Dat heeft te maken met heel veel zaken. Een van de belangrijkste: de woningmarkt is niet altijd een markt. Als de politiek de ene kant opstuurt en de vraag de andere, dan ís er helemaal geen markt. Corporaties zijn onder bepaalde condities best bereid daar iets aan te doen. Neem die wooncomplexen met sociale en markthuur voor ouderen in centra van dorpen in en rond de Veluwe: daar is ongelofelijk veel vraag naar. Daar kunnen we nu lastig op inspelen, maar dat willen corporaties graag. Er zijn echter ook middeldure huurwoningen waarvan we zeggen: laat de markt dat lekker doen. Middeldure huur in een groeigemeente als Amersfoort bijvoorbeeld. Dat moet een corporatie helemaal niet willen.’

Kan Van Nieuwamerongen zich daarin vinden?

Van Nieuwamerongen: ‘De wet biedt corporaties de mogelijkheid om in het uiterste geval, als uit de markttoets blijkt dat er helemaal geen andere gegadigden zijn, in middeldure huur te stappen. Maar dan nog zou ik daar terughoudend in willen zijn vanuit het verhaal: wat wil je nog meer van mij? Laten we daar eerst nog maar eens goede afspraken over maken.’

Kunnen corporaties zulke gemengde complexen onder de nieuwe wet nog realiseren?

Norder: ‘Het kan, maar is ingewikkeld. En ik merk dat corporaties op dit moment ook lang niet de mogelijkheden hebben om het goed vorm te geven. Als het dan ook nog ingewikkelder is dan vroeger vanwege de scheiding DAEB/niet-DAEB, die noopt tot allerlei aanvullende afspraken met marktpartijen, komt dat lang niet altijd van de grond.’

Het lijkt alsof jullie op een lijn zitten, klopt dat?

Norder: ‘Waar we nog verschillen van inzicht: in hoeverre kun je nu al als overheid met toezicht wat meer op afstand gaan zitten in je handhavings- en autoriteitsrol? In mijn beleving kan dat nu omdat we flinke kwaliteitseisen stellen aan commissarissen en directieleden.’

Van Nieuwamerongen: ‘Vorig jaar rond deze tijd, heeft het best af en toe geknald tussen ons. Een van de discussiepunten was: hoe scherp is nu die scheiding tussen DAEB en niet-DAEB? Mag je onderdelen van DAEB onderbrengen in niet-DAEB als de gemeente zegt dat dit mag? Daarvan hebben wij gezegd: dat mag niet. Als iets DAEB is en de DAEB-voorwaarden gelden, dan moet het ook onder DAEB vallen. Als dat niet zo is dan kun je morgen de wetgeving veranderen. Dus doe het nu alsjeblieft niet, laten we het zuiver houden. De cruciale vraag is: hoever kun je nu als toezichthouder gaan om de wet te interpreteren? De tendens om je te richten op de governance in plaats van de regels, valt daar ook onder. Ik ben er heel erg voor dat we die kant opgaan. Maar hoe doe je dat? Is het interne toezicht momenteel al van dien aard dat je als externe toezichthouder afstand kunt nemen? Wij durven dat nog niet aan, maar wij zien het wel als het wenkend perspectief.’

Hoe luidt het antwoord?

Norder: ‘Dan moet er sprake zijn van een stabiele situatie waarbij er een balans is in de markten voor goedkope, middeldure en duurdere huur. Als die balans er niet is kun je zeggen: we doen tijdelijk een aantal woningen uit de DAEB in de niet-DAEB-tak of andersom. Maar dat is een afweging die lokaal moet worden gemaakt. Daar hebben we elkaar wel enigszins in gevonden.’

Evaluatie scheiding DAEB niet-DAEB

Het scheiden van de Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) en de andere activiteiten van corporaties die daar niet onder vallen (niet-DAEB) krijgt een voldoende, maar was complex en er was te weinig tijd voor. Daardoor ontstonden problemen en zijn de administratieve lasten voor woningcorporaties opgejaagd. Toch hebben ze op een paar na – die met reden uitstel kregen - voldaan aan de plicht voor 2018 met een voorstel voor scheiding te komen. Dat staat in de evaluatie van het proces van de Autoriteit woningcorporaties (Aw) Twee onder één kap. Uiteindelijk zijn er 68.191 woningen die nu van DAEB overgeheveld zijn naar niet-DAEB. 

Van Nieuwamerongen: ‘Daarom was dit ook wel een bijzonder traject. In onze ambtelijke wereld heet dit vergunningverlening. Dat is een tamelijk rechtlijnig proces. Wij hebben gekozen voor een andere aanpak, we zijn in gesprek gegaan. Daar ben ik best trots op. We hebben ons opgesteld als een adaptieve toezichthouder. Ik vind dat wel een voorbeeld van hoe wij ons moeten ontwikkelen, ook als het gaat om het beoordelen van fusies en van verkopen.’

Norder: ‘Een mooi voorbeeld in dit kader vind ik de vergunningverlening voor een dakkapel. Die is de laatste jaren nogal versoepeld. Er zijn eigenlijk alleen nog een aantal algemene regels waaraan je moet voldoen. Dat zie ik ook voor me bij de verkoop van bezit door corporaties. Dat de verkoop van een beetje bezit niet getoetst hoeft te worden, mits je voldoet aan de algemene regels en bekend staat als een goed functionerende corporatie.’

Is dit een pleidooi voor een soort horizontaal toezicht?

Van Nieuwamerongen: ‘Wij spreken liever over toezicht vanuit vertrouwen. De Woningwet gaat op dit moment erg uit van wantrouwen. Ik denk dat we ook in het toezicht en de manier van samenwerken veel meer vertrouwen centraal kunnen stellen. Beschaam je dat, dan heb je een probleem. Maar laten we beginnen met vertrouwen.’

tekst: jan smit